06-03-07

Revalidatie na CVA of Beroerte

Revalidatie na een Beroerte of CVA

Revalidatie van iemand met een beroerte is erop gericht hem zo zelfstandig mogelijk in zijn eigen omgeving te laten functioneren. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de kwaliteiten van de persoon en de mogelijkheden van zijn omgeving. ‘We halen eruit wat er in zit; soms is dat minder dan je hoopt, maar vaak is dat meer dan je verwacht’.

Beroerte (CVA) belangrijkste oorzaak van invaliditeit
CVA is de medische term voor een beroerte, CVA is de afkorting van Cerebro Vasculair Accident. Letterlijk betekent het ‘cerebro vasculair accident’: een ongeluk in de bloedvaten van de hersenen. Bij een beroerte ontstaat beschadiging van hersenweefsel door afsluiting van een bloedvat (85%) of door een bloeding (15%). Elk jaar krijgen 30.000 Nederlanders een beroerte. 12.500 mensen overlijden binnen het eerste jaar. Hiermee is beroerte de vierde doodsoorzaak in Nederland, en bovendien in ons land de belangrijkste oorzaak van invaliditeit. Door de toenemende vergrijzing zullen deze aantallen nog hoger worden. Toch is beroerte geen ouderdomsziekte: bijna een kwart van de patiënten is jonger dan 65 jaar.

5000 mensen in revalidatie
De meeste patiënten met een beroerte gaan na een periode van ziekenhuisopname naar huis (65%). Eventuele nabehandeling
vindt plaats bij therapeuten dicht bij huis of poliklinisch op een revalidatieafdeling cvavan een ziekenhuis of in een revalidatiecentrum.
10% van de patiënten komt in aanmerking voor intensieve revalidatie en wordt opgenomen in een revalidatiecentrum.
Bij de overige 25% zijn de gevolgen zo ernstig en is zoveel zorg nodig, dat een verpleeghuis de aangewezen plek is. In totaal maken zo’n 5.000 mensen per jaar na een beroerte gebruik van klinische of poliklinische specialistische revalidatiegeneeskundige zorg.
Na de revalidatieperiode is zeker 90% van deze mensen in staat om weer zelfstandig te leven.

Ingrijpende gevolgen
Onze hersenen zijn bepalend voor ons hele wezen. Alles wat we doen, denken en voelen, wordt door onze hersenen bestuurd. Beschadiging van de hersenen kan invloed hebben op al deze aspecten. De aard van de gevolgen is afhankelijk van de plaats van de
beschadiging in de hersenen, de grootte van het beschadigde gebied, en van de leeftijd van de persoon.

De impact
is voor iedereen anders, want ook vroegere vaardigheden en sociale omstandigheden spelen een rol.  Niet alleen de persoon zelf wordt getroffen door een beroerte, maar ook de partner, de kinderen, familie, vrienden en collega’s. Na een beroerte volgt een langdurig proces van aanpassing. De betrokkenheid van de omgeving is daarbij in hoge mate bepalend voor de kwaliteit van leven van de patiënt.

Onzichtbare gevolgen
Sommige gevolgen vallen direct op, zoals halfzijdige verlamming of niet goed kunnen spreken (afasie). Maar er zijn ook minder zichtbare gevolgen, zoals gedeeltelijke blindheid (hemianopsie) of problemen op het gebied van de emoties, het gedrag of het denken (cognitieve stoornissen). Iemand kan moeite hebben met het geheugen of met het maken van plannen. Een schijnbaar eenvoudige taak als koffiezetten of het schrijven van giro’s lukt niet meer. Sommige mensen zijn snel geëmotioneerd zonder duidelijke aanleiding en huilen of lachen veel. Maar ook het tegenovergestelde afvlakking van de emoties komt voor. Zeven van de tien mensen met een beroerte heeft met dergelijke onzichtbare problemen te maken.


Leren omgaan met beperkingen: wat houdt de revalidatie in?

Individueel Behandelplan
Revalidatie zorgt ervoor dat iemand met beperkingen zo goed mogelijk kan functioneren in het dagelijks leven, zo zelfstandig mogelijk kan zijn en actief aan het leven kan deelnemen. Het is essentieel om aan te sluiten bij de wensen van de patiënt. Een man wiens vrouw altijd kookt, doe je geen plezier door hem te leren koken. Maar iemand die gewend was dagelijks te koken, wil
dat graag weer kunnen. Revalidatie maatwerk. Voor iedereen wordt een individueel behandelplan opgesteld. In overleg met de patient en de familie worden de revalidatiedoelen omschreven. Ook de mogelijkheden in de omgeving worden bij het plan betrokken. Is er bijvoorbeeld thuis een partner die een deel van de zorg op zich wil nemen? De hulpvragen zijn divers en ook de duur van de behandeling kan verschillen: van een eenmalig advies tot een traject van meer dan een jaar. Gemiddeld duurt klinische revalidatie na een beroerte drie maanden, met aansluitend een periode van enkele maanden poliklinische behandeling.

Multidisciplinaire aanpak:
Brede Deskundigheid
De revalidatiebehandeling wordt gegeven door een team van deskundigen, die ieder hun eigen specifieke bijdrage leveren: de aanpak is multidisciplinair. Naast het geven van individuele behandelingen wordt veel in groepen gewerkt. De logopedist houdt zich bezig met
communicatie.

ergotherapieVeel mensen hebben na een beroerte moeite met het begrijpen van taal en met spreken, lezen en schrijven (afasie). Het is belangrijk snel advies te kunnen geven aan familie en behandelaars, zodat zij weten hoe ze het beste met de patiënt kunnen communiceren. De fysiotherapeut en de ergotherapeut trainen houding, beweging en zelfverzorging. Ook leren zij de patiënt omgaan met hulpmiddelen, zoals een rolstoel of handspalk. Koekjes bakken bij de ergotherapie wordt niet gedaan voor de gezelligheid, maar als training van de handfunctie en om te leren een serie handelingen in de juiste volgorde uit te voeren. Bij de psycholoog en de cognitief therapeut worden belangrijke vaardigheden geoefend als het opnemen van informatie en het aanleren van geheugenstrategieën zoals het gebruik van een agenda. Op de afdelingen voor sport, aktiviteitenbegeleiding en muziektherapie leert de patiënt bezigheden die hij (weer) wil kunnen doen na de revalidatie en waarin hij zich kan uiten. Voor de patiënt maar ook voor partner en familie is de begeleiding door het maatschappelijk werk belangrijk. Er zijn gespreksgroepen om ervaringen uit te wisselen, en er wordt advies gegeven over het regelen van financiële zaken en het aanvragen van voorzieningen. Ook de verpleging levert een grote bijdrage: op de afdeling worden de in de therapieën geleerde vaardigheden verder getraind. De revalidatiearts geeft leiding
aan het behandelteam en stelt, in overleg met patiënt en familie het behandelplan op. Het team overlegt regelmatig over de vorderingen van de patiënt.


Voor wie is revalidatie?
Revalidatie is er voor mensen die door de beroerte blijvende beperkingen ervaren in hun dagelijks leven. Iemand heeft bijvoorbeeld problemen bij de persoonlijke verzorging, bij het vervullen van zijn rol in het gezin, bij werk of hobby’s. Van belang is hierbij wat hij of zij voor de beroerte deed: hoe was het dagelijks leven ingericht, hoe was de sociale situatie? Een man van begin zeventig, die thuis een rustig leven leidt met zijn vrouw die het huishouden volledig verzorgt, heeft relatief weinig last van een slecht werkende linker arm. Maar een jonge vrouw met een gezin met kleine kinderen, die als harpist haar geld verdient, ondervindt veel meer hinder van dezelfde beperkingen. In het algemeen kan je stellen dat de iets jongere, wat aktievere CVA-patiënt met complexe problemen in de revalidatie goed terecht kan. De specialistische revalidatiegeneeskundige zorg biedt veel deskundigheid op het gebied van hersenletsel, waardoor een veelheid van problemen in samenhang kan worden aangepakt. De patiënt moet een redelijk tempo aan kunnen en gemotiveerd zijn. En hij of zij moet zich op termijn thuis kunnen redden, eventueel met aanpassingen en met hulp van thuis- of mantelzorg. De revalidatiearts hanteert indicatiecriteria die hierop gebaseerd zijn.

Revalideren in eigen regio
Er is een revalidatiecentrum in elke regio. De revalidatiearts is vaak al in de eerste fase in het ziekenhuis als adviseur bij de behandeling betrokken. De neuroloog in het ziekenhuis verwijst mensen door naar de revalidatie. De huisarts kan iemand vanuit de thuissituatie naar de revalidatiearts doorverwijzen. De revalidatiearts bepaalt uiteindelijk of iemand voor revalidatiebehandeling in aanmerking komt.

Revalidatie onderdeel van zorgketen (Stroke Service)
Er zijn in de verschillende stadia na een beroerte verschillende soorten hulp nodig. Het ziekenhuis, het revalidatiecentrum, het verpleeg- en verzorgingscentrum en de thuiszorg vormen een zorgketen. Ook de geestelijke gezondheidszorg, activiteitencentra en eerstelijns therapeuten zijn schakels in deze keten. Ieder heeft zijn eigen specifieke deskundigheid. De zorg voor mensen met een
beroerte wordt in de regio steeds vaker georganiseerd in de vorm van een Stroke Service. De kracht hiervan is dat de juiste deskundigheid op het juiste moment kan worden aangewend. De partners maken afspraken over doorverwijzing en behandeling. De revalidatiearts speelt een centrale rol bij het bepalen van de meest geschikte behandelvorm voor de patiënt en is beschikbaar voor advies in de hele zorgketen.


Aanreiken van alternatieven: hoe verloopt de revalidatiebehandeling?

Inzicht met uitzicht
Iemand die niet goed kan lopen, kan de spieren oefenen en eventueel een beugel krijgen om dit te verbeteren. Iemand die niet kan praten, kan met behulp van een Taalzakboek communiceren door het aanwijzen van plaatjes, namen van personen of dagen van de week. Iemand die zijn geheugen kwijt is, kan leren met een agenda te werken. De revalidatiebehandeling bestaat uit het stimuleren van de vaardigheden van de patiënt en het bedenken en aanleren van compensatiestrategieën. Het is van belang dat de persoon
inzicht heeft in de eigen situatie. Iemand die niet goed kan lopen, begrijpt dat meestal wel. Voor iemand die niet kan spreken is dat al veel moeilijker. Iemand die zijn geheugen kwijt is, weet niet dat hij dingen vergeet en denkt er dus ook niet aan die agenda te gebruiken. Revalidatie begeleidt mensen bij het verbeteren van hun inzicht en creëert uitzicht door het aanreiken van oplossingen en alternatieven.

Klinische revalidatie
Allereerst komt in de klinische fase de zelfverzorging aan bod: wassen, aankleden, tandenpoetsen, scheren en veilig naar het toilet gaan. Uiteraard moet iemand zich kunnen voortbewegen. Is looptraining nodig? Moet er een beugel of een rolstoel worden aangevraagd? De behandeling richt zich op de basisvoorwaarden voor een zelfstandig leven. Als iemand zich veilig kan redden in de eigen woning, en als de nodige hulp en aanpassingen zijn geregeld, kan de revalidatie poliklinisch worden voortgezet.

Poliklinische revalidatie
In de eerste fase wil de patiënt zo snel mogelijk naar huis, maar eenmaal thuis wordt hij pas echt met zijn beperkingen geconfronteerd. Daardoor worden er in de poliklinische fase gerichtere keuzes gemaakt. Er wordt bijvoorbeeld extra aandacht besteed aan het maken van een boodschappenlijstje of aan het deelnemen aan een groepsgesprek, zoals tijdens een verjaardagsvisite. Ook wordt in deze fase bekeken of iemand zijn werk weer op zal kunnen pakken of een andere zinvolle
dagbesteding kan vinden, zoals vrijwilligerswerk of het bezoeken van een activiteitencentrum. De revalidatiebehandeling stopt als
de in het behandelplan gestelde doelen behaald zijn en het best haalbare resultaat bereikt is. De patiënt blijft in de regel nog enige tijd onder controle van de revalidatiearts. Vaak ontstaan na verloop van tijd nieuwe hulpvragen. Het lukt bijvoorbeeld niet om zelf een taxi te bellen, of iemand wil toch graag op een driewieler leren fietsen. Deze specifieke vaardigheden kunnen dan in enkele poliklinische behandelingen geoefend worden.

21-01-07

Oefeningen voor de Rugspieren (spierversterkend)

1. Rugspieren

Uitgangshouding:
Ga op de hielen zitten met de romp voorovergebogen en houd de armen zijwaarts en de ellebogen naar boven gebogen.
 
Oefening:
Trek de schouderbladen naar elkaar toe. Zo trekt de rug recht. Doe deze oefening met verschillende armhoudingen en merk op dat je steeds verschillende rugspieren aanspant.



2. Rugspieren

Uitgangshouding:
Ga op de rug liggen, met opgetrokken knieën, de voeten op de grond (niet vastklemmen!). Spreid de armen op schouderhoogte op de grond, met de ellebogen gebogen.
 
Oefening:
Druk de rug omhoog door met de armen (vooral de ellebogen) tegen de grond af te zetten. Laat het hoofd tijdens de oefening rustig liggen.



3. Rugspieren

Uitgangshouding:
Ga op de buik liggen, de armen gestrekt voor je. Maak je zo lang mogelijk.
 
Oefening:
Til linkerarm en rechterbeen tegelijkertijd op. Herhaal de oefening met rechterarm en linkerbeen. Indien bij deze oefening pijn optreedt in de lage rug, leg dan een kussentje onder de buik.

15-01-07

Buikspieroefeningen: oefeningen voor de Rechte Buikspieren én de Schuine Buikspieren

Met de onderstaande oefeningen kun je je rug- en buikspieren versterken. De oefeningen kunnen in willekeurige volgorde worden uitgevoerd. Aangeraden wordt om rug- en buikspieroefeningen af te wisselen om overbelasting te voorkomen.

1. Rechte buikspieren

Uitgangshouding:
Ga op de rug liggen met de handen achter het hoofd. Druk eerst beide hielen en de onderrug in de grond en houd dit vol gedurende de oefening.
 
Oefening:
Kom nu langzaam met het hoofd en de schouders omhoog totdat je duidelijk je knieën kunt zien.



2. Rechte buikspieren

Uitgangshouding:
Ga op de rug liggen, met opgetrokken knieën, de voeten op de grond (niet vastklemmen!). Kantel het bekken achterover (onderrug tegen de grond drukken). Kruis de armen voor de borst.
 
Oefening:
Kom met hoofd en bovenlichaam zover van de grond los dat de schouders de grond niet meer raken. Blijf gedurende oefening naar het plafond kijken.



3. Schuine buikspieren

Uitgangshouding:
Ga op de rug liggen, met opgetrokken knieën, de voeten op de grond (niet vastklemmen!). Kantel het bekken achterover (onderrug tegen de grond drukken). Vouw de handen achter het hoofd.
 
Oefening:
Tik nu met de linkerelleboog de rechterknie aan. Linkerschouder en rechterbeen komen hierbij van de grond. Tik daarna met de rechterelleboog de linkerknie aan.



4. Rechte buikspieren

Uitgangshouding:
Ga op de rug liggen en houd beide benen gebogen en los van de grond, ondersteund door een stoel of bank. Leg de armen gekruist voor de borst.
 
Oefening:
Terwijl je de benen licht gebogen op de stoel of bank houdt, probeer je zover mogelijk 'op' te komen.

14-01-07

Oefeningen voor de Quadriceps en Hamstrings (spierversterkend)

Met de onderstaande oefeningen kun je je bovenbeenspieren versterken. Sommige oefeningen zijn specifiek bedoeld voor versterking van de hamstrings (achterkant bovenbeen). Andere oefeningen zijn juist specifiek gericht op het versterken van de quadriceps (voorkant bovenbeen). Enkele oefeningen kunnen zowel de quadriceps als de hamstrings versterken.
Wissel bij het uitvoeren van de oefeningen de verschillende spiergroepen zoveel mogelijk af. Terwijl je de ene spiergroep traint, heeft de andere rust. Bij sommige oefeningen heb je een band nodig, daarvoor kun je de binnenband van een fiets of een zogenaamde dynaband gebruiken.



1. Hamstrings

  • Ga op de buik liggen en steun op de ellebogen.
  • Leg de band om een enkel.
  • De andere kant van de band is goed bevestigd aan een vast punt.
  • Probeer tegen de weerstand van de band in, het onderbeen omhoog te brengen (hiel richting zitvlak).





2. Quadriceps/hamstrings

  • Ga op een stoel zitten en houd de romp licht voorover gebogen.
  • Door de knieën iets te strekken kom je net vrij van de stoel.
  • Niet verder met de romp naar voren.





3. Quadriceps/hamstrings

  • Ga op een stoel zitten en houd de romp licht voorover gebogen.
  • Houd één been (bijna) gestrekt vooruit en zo mogelijk los van de grond.
  • Houd de armen voor.
  • Probeer je nu met het andere been op te drukken totdat je weer nèt vrij bent van de stoel.





4. Bil- en rugspieren en hamstrings

  • Ga op de rug liggen met de knieen licht gebogen.
  • Leg de armen naast je neer.
  • Til nu het bekken op; de oefening kan extra verzwaard worden door één been op te trekken los van de grond.





5. Quadriceps

  • Ga languit op de grond of op een bank zitten, met een opgerolde handdoek of kussentje in de knieholte.
  • Strek het been en houd dit 30 seconden vast.
  • Vijf keer herhalen.
  • De oefening kan worden verzwaard door een gewicht of zandzakje om de enkel aan te brengen.





6. Quadriceps

  • Ga staan met de benen op schouderbreedte uit elkaar.
  • Veer vanuit een vrijwel rechtstand iets door de knieën nooit verder dan 90 graden.
  • Strek vervolgen de benen weer.
  • Rustig uitvoeren gedurende 30 seconden.
  • Herhaal de oefening drie keer.





7. Quadriceps

  • Dit is dezelfde oefening als oefening 6, maar nu op één been.
  • De oefening is te verzwaren door de ogen te sluiten en/of met de armen te zwaaien.
  • Rustig uitvoeren gedurende 30 tot 60 seconden.
  • Oefening drie keer herhalen.





8. Bovenbeenspieren

  • Ga staan met de voeten op schouderbreedte uit elkaar.
  • Buig de knieen tot 90 graden en houd dit 30 tot 60 seconden vast.
  • Benen goed uitschudden en oefening herhalen.





9. Quadriceps

  • Zet de voeten op schouderbreedte uit elkaar.
  • Stap met één been naar voren, waarbij de knie tot 90 à 100 graden gebogen wordt.
  • De knie mag niet voorbij de tenen komen.
  • Maak verende bewegingen, waarbij je het gewicht afwisselend verplaatst van het achterste naar het voorste been zonder terug te stappen.
  • Je kunt de oefening verzwaren door volledig terug te stappen en weer uit te stappen.
  • Herhaal de oefening voor het andere been.

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende